column

Internationale bestrijding terrorisme door juridische actie

Op 12 september veroordeelde de Veiligheidsraad in resolutie 1368 met ongekende eensgezindheid ondubbelzinnig en scherp de terroristische aanslagen in de VS van daags tevoren. De Algemene Vergadering van de VN deed hetzelfde in de eerste resolutie van haar 56ste zitting, die juist op de dag van de aanval was begonnen.

De Veiligheidsraad schreef geschiedenis door de verleiding van een militaire operatie te weerstaan en een passend antwoord te zoeken in juridische actie. Hij deed daartoe een beroep op alle staten om door effectieve samenwerking op basis van verdragen tegen terrorisme te komen tot de berechting van de daders, organisatoren en sponsors van terroristische aanslagen in de VS.

De VN-Verklaring over Maatregelen ter uitbanning van terrorisme uit 1994 had staten al met klem aangespoord om de bestaande internationale voorzieningen inzake de bestrijding van terrorisme om te smeden tot een hecht alomvattend juridisch raamwerk. Zij zijn thans verdeeld over een tiental verdragen die terrorisme bestrijden in de vorm van gijzelingen, aanslagen op internationaal beschermde personen zoals staatshoofden en diplomaten en acties tegen vliegtuigen en luchthavens, kerncentrales, scheepvaart, en olieplatforms. Deze verdragen beogen dat terroristen zich niet meer aan berechting door staten kunnen onttrekken. Staten die partij zijn bij deze verdragen, hebben zich namelijk verplicht om personen die verdacht worden van terrorisme ofwel zelf te berechten ofwel uit te leveren aan andere staten.

De VN-Verklaring verschilde van voorgaande resoluties in dat zij onomwonden misdadige handelingen, die zijn bedoeld of beraamd om het publiek, een groep van personen of bepaalde personen voor politieke doeleinden angst in te boezemen onverdedigbaar acht, welke overwegingen van politieke, filosofische, ideologische, raciale, etnische, godsdienstige of andere aard ook worden aangevoerd ter rechtvaardiging. Anders gezegd, belangrijke zaken als het recht op zelfbeschikking en de strijd voor nationale bevrijding rechtvaardigen geen politieke misdrijven. Daarmee brak de Verklaring met de 'traditie' om plegers van politieke misdrijven niet als gewone misdadigers te beschouwen. Een aantal uitleveringsverdragen zonderde bijvoorbeeld politieke misdrijven uit van de plicht tot uitlevering, alsof er voor terrorisme nog een zekere politieke rechtvaardiging zou zijn.

Soms bleef uitlevering achterwege uit vrees voor nieuwe terroristische acties tegen de verblijfsstaat. De recente aanslagen vormen een dramatische aansporing om daarin ten spoedigste verandering te brengen. Effectieve internationale vervolging en berechting is een meer geëigend wapen tegen terrorisme dan militaire operaties of uitschakeling van terroristen door staten zonder vorm van proces. Met standrechtelijke liquidaties verlagen staten zich tot het niveau van wie zij willen bestrijden. De kracht van de internationale gemeenschap in de strijd tegen terrorisme schuilt in het gezag van onpartijdige internationale rechtspraak op basis van goede internationale regelgeving en niet in de macht van oorlogsretoriek.

Het Lockerbieproces illustreert dat verdenkingen tegen terroristen niet gemakkelijk met bewijzen zijn te staven. Dat is geen excuus voor toevlucht tot eigenrichting. Wel moeten 'alle hens aan dek' voor het verzamelen van bewijsmateriaal, dat al een internationaal strafhof als wettig en overtuigend kan aanvaarden. Dit hof moet dan wel kunnen bogen op de aanvaarding van zijn rechtsmacht door alle staten en op een algemeen aanvaarde definitie van terrorisme als internationaal misdrijf. Slechts dan kan er ook een preventieve werking van uitgaan.

Eind vorig jaar aanvaardde de Algemene stemmen met overweldigende meerderheid een resolutie over de noodzaak van een alomvattend internationaal verdrag tegen terrorisme als basis voor de rechtsmacht van het Internationale Strafhof. Tot de voorstemmers behoorde de VS, die overigens toen nog niet bereid waren partij te worden bij het statuut van dit Hof. Als het anti-terrorisme verdrag er komt, dan verdient dat Amerikaanse standpunt dringend heroverweging. Daarbij mag het niet blijven. Een wereld vrij van vrees, die wijlen president Roosevelt van de VS als geestelijk vader van de VN voor ogen stond, moest ook een wereld zijn vrij van armoede, onlosmakelijk verbonden met de overige twee vrijheden: vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst of levensovertuiging.

Paul de Waart, emeritus hoogleraar volkenrecht

terug naar de index