|
column WTO: INTELLECTUEEL EIGENDOM TERECHT VERDEDIGD? In november vindt in Qatar de vierde WTO-top plaats, de eerste sinds 'Seattle' in 1999. Een van de meest gevoelige vraagstukken op deze top is waarschijnlijk dat van handelsgerelateerde intellectuele eigendomsrechten ('TRIPS'). Sinds 1995 zijn WTO-landen verplicht iedere uitvinding te beschermen via een patent. Hierdoor moet worden voorkomen dat in sommige ontwikkelingslanden elders ontwikkelde ideeën en producten op grote schaal worden gekopieerd zonder compensatie voor de bedenker ervan. Het nationaal en internationaal verhandelen van door 'kopieertijgers' vervaardigde producten berokkende het bedrijfsleven in industrielanden aantoonbaar veel schade. TRIPS heeft zeker gewerkt. Sinds 1995 is het aantal wereldwijde patenten bijna verzevenvoudigd en ontvingen productontwikkelaars vermoedelijk een betere vergoeding voor hun ideeën. Ter illustratie, het Amerikaanse bedrijfsleven ontving in 1998 bijna 90 miljard gulden uit de verkoop van licenties op gepatenteerde producten. TRIPS heeft echter ook een keerzijde. Ten eerste is er sprake van een zekere asymmetrie, omdat industrielanden nu eenmaal gemakkelijker producten kunnen ontwikkelen dan ontwikkelingslanden en dus meer patentrechten hebben (bijv. tussen 1977 en 1996 werd 95% van de in de VS verstrekte patenten toegekend aan 10 industrielanden; minder dan 2% aan ontwikkelingslanden). Ten tweede lijkt TRIPS het voor ontwikkelingslanden moeilijker (duurder) te hebben gemaakt om in industrielanden ontwikkelde medicijnen te verkrijgen tegen, bijvoorbeeld, AIDS, malaria en hepatitis. Voor het zelf produceren van deze medicijnen moeten zij eerst een licentie kopen, waardoor het eventuele kostenvoordeel van het zelf produceren weer (grotendeels) wegvalt. Hierdoor is deze optie meestal niet actueel. Deze bezwaren zijn recentelijk reden geweest voor de WTO-landen om ter voorbereiding van Qatar eens van gedachten te wisselen over TRIPS. Tijdens dit in Genève gehouden overleg is voorgesteld een uitzondering te maken binnen TRIPS voor de medicijnvoorziening in ontwikkelingslanden. Europa wekte de indruk hier wel over te willen praten, maar met name de VS vonden een uitzondering niet gewenst, omdat TRIPS voldoende ontsnappingsmogelijkheden zou bieden. Bijvoorbeeld, een land kan een beroep op ontheffing van het respecteren van licenties instellen, indien de volksgezondheid in dat land ernstig wordt bedreigd. Over die boeg hebben Brazilië en Zuid-Afrika het recentelijk gegooid toen zij er op wezen dat hun Aids-problematiek inderdaad een ernstige bedreiging van de volksgezondheid is. De patenthouders van de desbetreffende medicijnen wisten een gedwongen licentieverstrekking (in TRIPS-termen 'compulsary licensing') te voorkomen door te beloven de AIDS-medicijnen voortaan in deze landen tegen lagere prijzen aan te bieden. Een ander zeer recent voorbeeld waarin TRIPS centraal stond, is dat van het medicijn Ciprofloxacine ('Cipro'), tot voor kort het enige medicijn dat op de Amerikaanse markt toegestaan was als middel tegen miltvuur. Toen recentelijk in de VS de vraag naar Cipro-tabletten explodeerde, kon Bayer, de Duitse patenthouder op Cipro, die vraag niet en aan drong de Amerikaanse overheid aan op het vrijgeven van de licentie, zodat ook Amerikaanse bedrijven van Cipro afgeleide producten zouden kunnen maken. Canada bestelde zelfs al 'Cipro'-tabletten in eigen land. Bayer verzette zich uiteraard fel tegen beide overheden. In beide gevallen liep de zaak met een sisser af. De VS versoepelden simpelweg de regels ten aanzien van miltvuurmedicijnen, waardoor ook andere, niet van Cipro afgeleide, antibiotica mogen worden voorgeschreven. Daarnaast levert Bayer een bulkhoeveelheid tegen een zekere korting. Canada beloofde tot eind 2003, wanneer het patent van Bayer afloopt, alleen Cipro te zullen voorschrijven. Dankzij TRIPS hadden de VS en Canada ook niet zoveel keus. Aangezien er geen ernstige bedreiging van de volksgezondheid is, kon van verplichte licentieverstrekking door Bayer geen sprake zijn. Naar aanleiding van de miltvuur-situatie zijn de VS en Canada nu zelf eens zijn geconfronteerd met TRIPS zoals ontwikkelingslanden dat regelmatig overkomt met hun vraag naar medicijnen. De overeenkomst is dat waar ontwikkelingslanden vaak feitelijk gerantsoeneerd worden door de (soms) prohibitief hoge medicijnprijs, de VS en Canada gerantsoeneerd dreigden te worden door de productiecapaciteit van Bayer. Het grote verschil is dat de Amerikanen en de Canadezen in eigen land de middelen hebben om TRIPS te omzeilen. Hierdoor kwamen ze redelijk goed weg, waar ze domweg geen zin hadden de hoge patentprijzen te betalen aan het Europese concern. Ontwikkelingslanden hebben in de praktijk deze mogelijkheden niet en pleiten juist daarom voor amendering van TRIPS. De EU lijkt daarover wel te willen praten. Misschien zijn de Amerikanen op dit punt ook wat milder geworden, nu ze onverwacht zelf aan den lijve hebben ondervonden hoe frustrerend het kan zijn afhankelijk te zijn van dure gepatenteerde buitenlandse medicijnen waar men niet zonder kan.
Prof. dr Catrinus J. Jepma
|