|
COLUMN De euro is een grote stap vooruit bij het afschaffen van nationale grenzen in Europa: ook na het passeren daarvan kunnen wij binnenkort met onze eigen munt blijven betalen. Maar in juridisch opzicht blijven de grenzen nog bestaan. Het recht is bij uitstek een nationale verworvenheid, en dat geldt nog steeds voor de kerngebieden ervan. Dus gelden er andere regels voor de koopovereenkomst, voor de aansprakelijkheid en voor het strafrecht zodra er een grens wordt gepasseerd. Dat is hinderlijk voor een goede werking van de interne markt, maar ook voor het effectief bestrijden van de criminaliteit. Daarom wordt regelmatig aangedrongen op uniformering van het recht in Europa. Soms gaat het om een specifiek stukje van het recht, zoals nu weer bij de discussie over het Europees aanhoudingsbevel bij bestrijding van het terrorisme, soms wordt een veel ingrijpender voorstel gedaan, zoals bij de discussie in het Europese parlement over het perspectief van een Europees Burgerlijk Wetboek. Inderdaad is meer eenheid van groot belang. Maar misschien gaat de belangrijkste vraag niet over het doel, maar over de weg waarlangs dat doel moet worden bereikt. Zou een Europees Burgerlijk Wetboek een aantrekkelijk perspectief zijn? Of zou men ook op het terrein van het recht kunnen werken met zachtere methodes voor toenadering, zoals vrijwillige samenwerking en afstemming? M.i. hebben werkelijk uniforme rechtsregels grote nadelen. Zij vergen dat die uniformiteit ook goed wordt bewaakt: er is een Europese rechter nodig om voor de uniforme interpretatie van Europese regels te zorgen. Dat leidt aan de ene kant tot juridisering, omdat procedures onherroepelijk langer en ingewikkelder worden door de steeds mogelijke inschakeling van de Europese rechter. Om te weten wat een rechtsregel inhoudt, kan men dan ook niet meer volstaan met het volgen van de rechtspraak van de vertrouwde nationale rechters, maar moet men ook die van het Europese Hof kennen (en eigenlijk ook die van andere belangrijke nationale rechters over hetzelfde onderwerp). Men denke zich eens de gevolgen in van een dergelijke Europeanisering van de asielprocedure. Terwijl snelheid van procedure hier van vitaal belang is, zou dat resultaat nauwelijks meer haalbaar zijn. Aan de andere kant zou werkelijke eenheid van rechtstoepassing toch niet bereikt worden. Europa is zo groot, en de opleidingen en rechtstradities zijn nog zo verschillend, dat het een illusie is te denken dat de Europese rechter de rechtseenheid werkelijk zou kunnen bewaken. Een interessant alternatief is om voorlopig tot een meer vrijwillige afstemming te komen. Men zou gezamenlijk modellen of beginselen kunnen afspreken, die iedere lidstaat in de eigen wetgeving kan overnemen. Overeenstemming is gemakkelijker, juridisering en verlenging van procedures treedt niet op, maar in de praktijk kan toch veel worden bereikt. Dat leert ons het voorbeeld van de Verenigde Staten. Het Hooggerechtshof maakte daar in 1939 een einde aan het bestaan van een federaal privaatrecht, zodat iedere staat in beginsel zijn eigen recht heeft. Maar met behulp van modellen is een mate van uniformiteit bereikt, die het toch mogelijk maakt te spreken van Amerikaans privaatrecht. Er is geen hoogste rechter die de eenheid bewaakt - het Hooggerechtshof heeft in dit opzicht geen taak. Wel draagt de opleiding van juristen bij tot het bestaan van een gezamenlijke rechtscultuur. En daardoor aan de eenheid. Wanneer via deze weg meer eenheid bereikt kan worden, worden de nadelen van lange procedures en nodeloze juridisering vermeden. Een serieuze verkenning van deze benadering is daarom nodig.
Michiel Scheltema
|