|
COLUMN: ERIK JURGENS Op 4 december nam de Eerste Kamer een motie aan over de manier waarop de Raad van Europese Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ-Raad) voortaan zogenaamde 'kaderbesluiten' moet behandelen. Als het ontwerp daarvan niet eerst tenminste zes weken openbaar is geweest na de onderhandelingen in de Raad, dan zal de Eerste Kamer de Nederlandse ministers niet toestaan om daarvoor te stemmen. Omdat in de Derde Pijler van de EU, die justitie en binnenlandse zaken behelst, beslissingen bij unanimiteit moeten worden genomen, betekent dit dat het betreffende kaderbesluit door Nederland in Europa wordt geblokkeerd. Waarom deze blokkade? Omdat die Derde Pijler voorziet in de mogelijkheid om kaderbesluiten vast te stellen die bindend zijn voor de lidstaten. Bij Europese richtlijnen uit de Eerste Pijler (de interne markt) is dit ook het geval, maar het verschil is dat kaderbesluiten niet alleen op initiatief van de Commissie kunnen worden vastgesteld (hetgeen garandeert dat het openbaar is), maar ook op initiatief van een lidstaat, zonder openbaarheid. Bovendien wordt een richtlijn uit de Eerste Pijler besproken in de Raad van Ministers en voorlopig vastgesteld, waarna het eerst naar het Europees Parlement gaat voor medebeslissing of advies. Kaderbesluiten worden binnen de JBZ-raad echter vastgesteld zonder dat het Europees Parlement over het eindontwerp heeft kunnen meepraten, en zonder dat de publieke opinie er een discussie aan kan wijden. Bij zaken op dit terrein willen de rechtswetenschap, advocatenordes en NGO's zoals Amnesty commentaar leveren. Maar dat kan nu pas achteraf, wanneer de besluiten al zijn vastgesteld en gepubliceerd! De beide kamers van het Nederlandse parlement hebben een bijzondere positie. Al in het Verdrag van Maastricht is bepaald dat besluiten die voor Nederland bindend zijn in de Derde Pijler niet kunnen worden vastgesteld met medewerking van een Nederlandse minister, zonder dat die minister eerst instemming heeft verkregen van elk van beide kamers. Dit heeft geleid tot een open vorm van communicatie tussen de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken over de agenda van bijeenkomsten van de JBZ-raad. Een motie-Jurgens heeft in 1997 vastgelegd dat, als het ontwerpbesluit niet tenminste vijftien dagen tevoren aan de Kamer is voorgelegd, die instemming automatisch wordt onthouden. Vijftien dagen is wel een minimum om complexe problemen, zoals onlangs bij het kaderbesluit over een Europees arrestatiebevel, te doorgronden en erover in de Kamers te beslissen! Vaak zijn die ontwerpen nog niet klaar, zijn zij nog voorwerp van onderhandeling. Dan moet de Nederlandse minister laten weten dat hij niet aan de besluitvorming kan meewerken, het zogenaamde. "parlementair voorbehoud". Dat is een regeling, die verder alleen in Denemarken en het Verenigd Koninkrijk enigszins vergelijkbaar bestaat. De nationale parlementen laten helaas deze zaken behoorlijk sloffen. Anders de Eerste Kamer, net als de Tweede Kamer trouwens. Zij voelde zich belemmerd door het feit dat zij zelf wel kennis droeg van teksten, maar dat daarover geen discussie met de samenleving mogelijk was, omdat die teksten niet worden gepubliceerd. Vandaar die forse tweede motie-Jurgens van 4 december. Die wil dus afdwingen dat er alsnog een periode van openbaarheid wordt ingebouwd tussen afronding van de onderhandelingen in de JBZ-raad en de uiteindelijke vaststelling. Het Europees Parlement kan dan alsnog adviseren, en het publiek kan zich over de gepubliceerde tekst opwinden, voordat de tekst - al of niet geamendeerd vanwege die discussie - door de JBZ-raad wordt vastgesteld. Bij ons wordt het meest onbenullige wetje, bijvoorbeeld een Kabouters- en Trollenwet, keurig via adviesinstanties, de ministerraad en, in alle openbaarheid, twee Kamers geleid om een openbaar debat mogelijk te maken. En bij de JBZ-raad gaat het juist over de gevoelige materie van politie en justitie. Voor onze ministers wordt het niet eenvoudig. Zij moeten voortaan bij elk kaderbesluit vooraf aankondigen dat zij niet zullen meewerken als die fase van openbaarheid niet wordt ingelast. Zij zullen dan als spelbrekers worden bejegend, en er zal forse politieke druk worden uitgeoefend (zoals op Berlusconi op de EU-top in Laken over het arrestatiebevel). Maar die ministers zullen zeggen: mijn parlement wil het zo in het belang van de rechtsstaat. En trouwens, de Europese Unie verdedigt toch openheid en democratie, en eist van nieuwe lidstaten dat zij zich daaraan aanpassen? En hoe is het dan met de EU zelf? Nou dan. Erik Jurgens is lid van de Eerste Kamer voor de PvdA
|