|
COLUMN EPPO JANSEN Er loop nog altijd een generatie Europeanen rond, die vaak gedacht heeft: "Straks gaan we dood en bestaat het IJzeren Gordijn nog steeds". Voor de meesten van die generatie heeft het ook nu nog iets van een wonder dat dit gordijn zomaar is verdwenen, ook al wennen zelfs wonderen wonderlijk snel. Dat ruim 12 jaar na de ineenstorting van de Berlijnse muur de hereniging van beide delen van Europa nog altijd op zich laat wachten en aan beide zijden van de oude scheidslijn weinig enthousiasme oproept is dan ook wrang. Achter de 85.000 pagina's regelgeving die de kandidaat-lidstaten moeten overnemen alvorens zij kunnen toetreden tot de Europese Unie lijkt het besef verdwenen te zijn dat het hier gaat om het grootste Europese avontuur sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. Wantrouwen, scepsis, prikkelbaarheid en uitvergroting van nationale angsten beheersen het debat. De Nederlandse regering loopt zelfs voorop bij pogingen om te voorkomen dat de uitgebreide EU ons straks te veel geld gaat kosten. Soms kun je betreuren dat zo weinig inwoners van de huidige EU-landen ooit een bezoek hebben gebracht aan de toen nog communistische landen. Als zij met eigen ogen hadden gezien hoe de grote meerderheid van de mensen, die niet tot de communistische machtsstructuur -de nomenclatura- behoorde, daar leefde (en in sommige gevallen nog leeft) zou er misschien toch een sterker gevoel van solidariteit hebben bestaan en minder narrigheid. De eerlijkheid gebiedt echter te zeggen dat het ook geen zin zou hebben gehad al die landen in Centraal en Oost-Europa in één klap lid te maken van de EU. Dat zou over en weer economische en politieke chaos hebben opgeleverd. Maar het aanloopproces had misschien wel een betere psychologische begeleiding kunnen hebben met meer edelmoedigheid en vooral inspiratie. Toen Spanje na de dood van Franco jaren moest wachten op het lidmaatschap van de Europese Unie groeide de irritatie en het ongeduld. De Spaanse minister van Europese Zaken Calvo Sotelo kreeg vaak te horen: "Hoe kan het dat we iets dat zo moeilijk lijkt, -een dictatuur omvormen tot een democratie-, in anderhalf jaar hebben volbracht terwijl wat zoveel eenvoudiger lijkt,-lid worden van de EU-, veel en veel meer tijd neemt. De minister gaf dan de volgende uitleg. Je kon wel een nieuwe auto kopen en die voor de deur zetten, maar je moet voor je gaat rijden toch eerst je rijdiploma hebben. Dat vergt heel wat rijlessen en dat neemt tijd. De vergelijking met de voormalige communistische landen ligt voor de hand. Die hebben bovendien nog het nadeel dat ze, anders dan de Spanjaarden destijds, geen ervaring hebben opgedaan met een liberale markteconomie. Dat betekent meer rijlessen. Zolang de kandidaten de auto niet goed weten te besturen zijn zij voor zich zelf en anderen een gevaar op de Europese weg. Toch kun je zien aankomen dat de beslissing over toetreding uiteindelijk niet door de rij-instructeurs maar door de politici zal worden genomen, een beetje zoals dat destijds ging bij de Duitse vereniging. Zo zullen vermoedelijk per 1 januari 2004 naast Malta en Cyprus alle ex- communistische kandidaten, met uitzondering van Roemenië en Bulgarije, lid worden van de EU ondanks aanzienlijke verschillen in rijvaardigheid. Politiek is het immers onverkoopbaar ze nog langer in de kou te laten staan of in deze groep nog weer een tweedeling aan te brengen. Twee dingen kunnen er dan gebeuren. Of de EU desintegreert omdat deze de last niet aankan en dan zijn we allemaal de verliezers.Of zij overleeft door naar voren te vluchten. Dat betekent meer supranationaliteit in de vorm van een sterk Europees Parlement en een krachtige Europese Commissie, meerderheidsbesluiten als regel en meer overdracht van soevereiniteit naar Europa. In Nice hebben de leiders van de EU dat absoluut niet begrepen. Er komt nog een herkansing in 2004 met wat waarschijnlijk het Verdrag van Berlijn wordt. Hopelijk zijn twee jaar voldoende om het besef te doen groeien dat een gemeenschap van 25 landen volstrekt anders functioneert -of niet functioneert- dan een met 15 leden. Eppo Jansen was voorlichter van het Europees Parlement
|