COLUMN
Een beleid zonder koers

Op 28 februari gaat de Conventie over de toekomst van Europese Unie van start. Inmiddels heeft de Nederlandse regering oud-minister Hans van Mierlo aangewezen haar in de Conventie, hyperbolisch vergeleken met de Amerikaanse Conventie van 1787 (Philadelphia), te vertegenwoordigen. Dat lijkt geen slechte keuze. Waar staat Nederland in het debat over de toekomst van Europa? Die vraag is niet gemakkelijk te beantwoorden. Onze regering heeft in de afgelopen tijd met verschillende stemmen gesproken. Daardoor is verwarring ontstaan over de Nederlandse "inzet", om die verschrikkelijke Haagse term voor een keer te gebruiken. Minister Van Aartsen heeft zijn best gedaan de indruk te wekken dat hij een discussie over de institutionele arrangementen van de EU nauwelijks interessant vindt. Dat is merkwaardig omdat die discussie alles te maken heeft met bestuurlijke slagvaardigheid, afbakening van de macht tussen de Europese instellingen en lidstaten alsmede met de democratische legitimiteit. Onze minister van Buitenlandse Zaken beroept zich graag op de spreekwoordelijke man of vrouw in de straat die alleen geïnteresseerd is in meer veiligheid in de buurt, het behoud van zijn (haar) baan en bijvoorbeeld de kwaliteit van het voedsel. Alsof het voor het bereiken van deze doelen niet relevant zou zijn te weten of de EU straks wel in staat is tijdig beslissingen te nemen.

Van Aartsen's staatssecretaris Benschop is een intelligent en ter zake kundig politicus gebleken. In voetbaltermen zou men hem dan ook de "revelatie" in het paarse team kunnen noemen. Wel is het voor mij een beetje raadselachtig dat hij als sociaal-democraat én historicus onder de bekoring is gekomen van het modieuze jargon van de angelsaksische bedrijfskunde, waarin termen als "peer pressure", "benchmarking" en "scoreboarding" als diepzinnige wijsheden worden opgediend. Naar mijn smaak steekt in het geloof in de zogeheten methode van open beleidscoördinatie als stuurmechanisme een flinke dosis naïviteit. Beleidsvergelijking heeft ons in elk geval weinig geholpen als het bijvoorbeeld gaat om het effectueren van een gemeenschappelijk asielbeleid. Bedoelde methode dient alleen te worden beproefd indien onvoldoende steun bestaat voor het hanteren van bindende beleidsinstrumenten. Toch heeft Benschop opvattingen verdedigd die het dichtst in de buurt komen van de klassieke communautaire lijn die Nederland in het verleden heeft gevolgd. Terecht traden wij in het krijt voor een sterke Commissie als motor van het integratieproces, uitbreiding van meerderheidsbesluitvorming in de Raad van Ministers en uitbreiding van de mogelijkheden van het Europese Parlement het beleid van de Commissie te controleren en als medewetgever optreden. Ook heeft de staatssecretaris zich terecht tot tolk gemaakt van diegenen die zich zorgen maken over de geringe betrokkenheid van de Europese burger bij de Brusselse besluitvorming.

In een aanduiding van de opstelling van de Nederlandse spelers op het Europese tableau mag uiteraard de minister-president niet ontbreken. Ook in de Europese discussie heeft Kok zich als een politieke allemansvriend doen kennen. Als het gaat om in het vinden van een nieuw evenwicht in de bepaling van de bevoegdheden tussen enerzijds de Commissie en anderzijds de Raad van Ministers en de Europese Raad, heeft hij een werkelijke keuze ontlopen. Kennelijk bewaart onze MP goede herinneringen aan zijn vergaderingen in laatstgenoemd orgaan, want het lijkt hem niet te deren dat de groeiende betekenis van de Europese Raad vooral ten koste is gegaan van de statuur van de Commissie. Deze bespreking is pas compleet indien ook de minister van financiën in beeld wordt gebracht. Vooral door de ontwikkeling van de EMU en de politisering van de strijd om de Europese begroting is de rol van de ministers van financiën in de EU aanzienlijk gegroeid. Minister Zalm heeft zich doen kennen als iemand die in Europees verband hard voor de Nederlandse belangen knokt. Dat siert hem op zichzelf. Maar hij heeft zich ook onderscheiden door een terughoudende opstelling met betrekking tot de verdieping van de Economische Unie als noodzakelijke aanvulling op de Monetaire Unie. Anders dan bijvoorbeeld zijn Belgische ambtgenoot (en politieke geestverwant!) Reynders moet hij niets hebben van het minder vrijblijvend maken van het huidige complexe stelsel van economische beleidscoördinatie.

De Nederlandse regering vertoont het beeld van een verdeeld huis wat Europa betreft. Dat kan schadelijk zijn voor onze inbreng in een hoogst belangrijk debat. Voor een niet onbelangrijk deel vallen de meningsverschillen samen met tegenstellingen die tussen de regeringspartijen PvdA en VVD bestaan over hoe het met de EU verder moet. Ook om die reden is het toe te juichen dat politiek paars in Nederland kennelijk zijn langste tijd heeft gehad.

Dr. Alfred van Staden is directeur van het Instituut Clingendael te Den Haag en deeltijdhoogleraar voor de leer der internationale betrekkingen aan de Universiteit Leiden

terug naar de index