COLUMN: ROEL JONGENEEL
Landbouwbeleid: Afschaffen of hervormen?

In de nabije toekomst wordt de Europese Unie uitgebreid met 13 nieuwe lidstaten. Omdat de meeste kandidaat-lidstaten sterke agrarische belangen hebben, zijn de consequenties van de toetreding voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid een heet hangijzer.

Ongeveer zeventig procent van de jaarlijkse EU-uitgaven voor landbouw worden besteed aan rechtstreekse inkomenstoeslagen aan boeren. Deze prominente rol van rechtstreekse inkomenstoeslagen is iets van de laatste tien jaar. Vóór die tijd werd landbouwsteun verstrekt door middel van traditionele prijssteun zoals exportsubsidies en interventieaankopen. De afbouw van deze prijssteun die in 1992 werd ingezet had negatieve gevolgen voor de boereninkomens. Als compensatie werden de directe inkomenstoeslagen geïntroduceerd. De Commissie stelt dat deze inkomenstoeslagen ook een belangrijke rol spelen bij de instandhouding van de multifunctionele landbouw. Daarmee bedoelt ze een landbouw die meerdere taken verricht dan alleen voedselproductie, maar ook een rol speelt bij de leefbaarheid van het platteland en het behoud van landschappelijke waarden en natuurwaarden. Het verband tussen de directe inkomenstoeslagen en deze multifunctionele landbouw is overigens vrij zwak. Het lijkt daarom ook gedeeltelijk om een rationalisatie achteraf te gaan, die gebruikt wordt om kritiek van de Wereld Handels Organisatie dat deze directe inkomenstoeslagen een unfaire verstoring van de internationale concurrentieverhoudingen zijn, te pareren.

De Commissie stelde aanvankelijk dat de kandidaat-lidstaten geen recht hebben op directe inkomenstoeslagen. De landbouwprijzen zijn in de kandidaat-lidstaten nooit zo hoog geweest als in de huidige lidstaten. De boeren in de kandidaat-lidstaten hoeven dus ook niet te worden gecompenseerd voor de afbouw van prijssteun. Integendeel, zo stelt de Commissie. De aansluiting bij de Europese Unie zal voor de meeste kandidaat-lidstaten betekenen dat hun prijsniveau voor landbouwproducten omhoog gaat. De kandidaat-lidstaten lijken zich hier niet bij neer te leggen. Zij gebruiken het argument dat de Commissie tegenover de WTO gebruikt en stellen dat hun landbouw ook multifunctioneel is en dus recht heeft op de directe inkomenstoeslagen. Daarnaast beroepen ze zich op het gelijkheidsbeginsel. Het is in hun ogen niet rechtvaardig dat de EU directe toeslagen geeft aan de relatief rijke boeren in de huidige lidstaten en straks niet aan hun armere collega's in de kandidaat-lidstaten. Inmiddels heeft de Commissie zich bereid verklaard om over een toekenning van directe inkomenstoeslagen aan de kandidaat lidstaten te praten. Onze Nederlandse regering heeft hierop direct afwijzend gereageerd en blijft pleiten voor een snelle hervorming van het landbouwbeleid, waarbij men de inkomenstoeslagen het liefst geheel ziet verdwijnen.

Verdere hervorming wil iedereen maar een afschaffing van de toeslagen lijkt onjuist. Het landbouwbeleid in westerse landen heeft twee functies: een economische en een sociale. De economische functie houdt in dat het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) moet proberen te waarborgen dat landbouwprijzen kostprijzen reflecteren. Deze kostprijzen hoeven niet per definitie wereldmarktprijzen te zijn. Omdat bij de wereldmarktprijzen de relatie met de kosten vaak ver te zoeken is lijkt een volledige liberalisatie niet de juiste weg. Te meer daar in de kostprijzen rekening moet worden gehouden met de specifieke eisen die we in de EU stellen aan de productiemethoden in de landbouw. De sociale functie van het GLB is nodig om ook die bedrijven die bij een dergelijk beleid toch nog geen maatschappelijk acceptabele beloning ontvangen een vangnet te bieden. Daarvoor zijn aanvullende toeslagen nodig voor diegenen die het echt nodig hebben. Ze zullen, tenzij er bijzondere redenen zijn om landbouw in streken met ernstige natuurlijke handicaps te handhaven, een aflopend karakter hebben. Onrendabele bedrijven moet je uiteraard op termijn niet continueren.

De econoom en Nobelprijswinnaar Tinbergen heeft al jaren geleden duidelijk gemaakt dat wie twee doeleinden wil realiseren tenminste twee instrumenten nodig heeft. Het is daarom een principieel punt dat voor een effectief landbouwbeleid prijssteun en directe toeslagen geen van beide kunnen worden gemist. Op dit moment komt echter een onevenredig deel van de directe steun terecht bij bedrijven die het makkelijk zonder zouden kunnen doen en bestaan er discrepanties tussen landbouwprijzen en kostprijzen. Hervorming is dus nodig, maar afschaffing ongewenst.

Roel Jongeneel is landbouweconoom aan Wageningen Universiteit

terug naar de index