COLUMN: HANS VISSER
Barcelona: weinig reden tot juichen

Het is deze maand twee jaar geleden dat de Europese 'dotcom top' plaatsvond in Lissabon. In Lissabon werd op initiatief van Blair en Aznar juichend geproclameerd dat de EU een flexibele en dynamische samenleving zou worden met een technologie waarmee ze in de wereld voorop zou lopen. Er zou een concreet actieplan komen om het concurrentievermogen van de Europese economie te verbeteren. De 15 regeringsleiders kwamen onder andere overeen om de telecommunicatiemarkt, het transport, de posterijen en de energiemarkt open te gooien voor concurrentie en financiële markten te integreren.

Vorig jaar bij de top van Stockholm kon weinig vooruitgang gemeld worden. Deze maand in Barcelona is er evenmin reden tot juichen. Een overzicht van wat er op de verschillende beleidsterreinen is gebeurd leest al gauw als een litanie. De hoop dat de Europese energiemarkt in 2005 volledig geliberaliseerd kon zijn is stukgelopen op onwil van Frankrijk om zich te binden aan een termijn. Een gemeenschappelijk Europees octrooi is nog niet goed van de grond gekomen. Snellere deregulering van de posterijen is tegengehouden door Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, al gaat die deregulering wel door. Het programma om een geïntegreerde Europese markt voor financiële diensten te creëren, waarbij het Lamfalussy-rapport van 2001 een goede leidraad kon vormen, verloopt moeizaam. Zoals bekend is het EU-commissaris Bolkestein vorig jaar niet gelukt om een conceptrichtlijn die grensoverschrijdende overnames gemakkelijker zou maken, aangenomen te krijgen in het Europese Parlement. Op de arbeidsmarkt is ook nog te weinig van deregulering en flexibilisering te merken. Uitzendbureaus bijvoorbeeld wordt het leven nog steeds niet gemakkelijk gemaakt. Wel is de telecommarkt opengegooid.

Om de agenda van Lissabon uit te voeren werden geen aparte instrumenten ontwikkeld. Lissabon moest aansluiten op, en gebruik maken van de instrumenten, van andere processen, in het bijzonder van het Proces van Cardiff, onder Brits voorzitterschap in juni 1998 gestart. De Europese Raad stelde daar dat het economische beleid er specifiek op gericht moest worden de groei en de werkgelegenheid te bevorderen, de macro-economische stabiliteit te bewerkstelligen en de efficiënte werking van de arbeids-, produkten- (goederen- en diensten-), en kapitaalmarkten te verzekeren, zaken die in het Proces van Lissabon allemaal terugkwamen. Daartoe moesten de lidstaten hun eigen strategieën formuleren. Afgesproken werd dat de lidstaten en de Commissie op de onder hun bevoegdheid vallende gebieden korte eindejaarsverslagen zouden opstellen over de produkt- en kapitaalmarkten. Daarmee moest worden bereikt dat de beste praktijken worden uitgewisseld. De Raad was al bezig met het in kaart brengen van de kernelementen die het concurrentievermogen beïnvloeden, zoals de vaardigheden en het aanpassingsvermogen van de werknemers, een efficiënt werkende kapitaalmarkt en een verbeterd klimaat voor het oprichten van ondernemingen en innovatie. De methode was om specifieke deadlines en doelen te formuleren en via de druk van peer groups 'benchmarking' te zorgen voor de totstandkoming van de benodigde nationale en Europese wetgeving. Daar wordt wel iets aan gedaan. De Europese Commissie publiceert sinds 2000 bijvoorbeeld een jaarlijkse benchmarkstudie Het Innovatie-Scorebord. Of dat allemaal veel uithaalt valt echter te betwijfelen, het geschiedt nogal vrijblijvend, want sancties ontbreken en van de beoogde 'peer pressure' tussen de landen is ook niet veel te merken.

Daar komt bij dat de prikkel om de technologische achterstand op de Verenigde Staten in te halen kennelijk wat kleiner is dan in 2000, toen de wereld nog in de greep was van de hype van de 'nieuwe economie'. De 'sense of urgency' ontbreekt. De aandacht zal nu meer worden opgeslokt door de perikelen rond de uitbreiding en de constitutionele conventie. De liberalisering die een wezenlijk deel uitmaakt van het Proces van Lissabon dient echter wel door te gaan als we de voordelen van een grote gemeenschappelijke markt werkelijk willen plukken.

Dr. Hans Visser is hoogleraar Algemene Economie aan de Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde van de Vrije Universiteit

terug naar de index