Column
HUP HANS VAN MIERLO!

Alle besluiten die het Europese integratieproces eerder hebben versneld werden van buitenaf beïnvloed. Eerst was het de VS die na de oorlog Europa tot coöperatie aanzette. De economische dreiging van Azië in de jaren tachtig leidde in 1992 tot het feit van een vrije Europese markt, waartoe al in 1957 bij het Verdrag van Rome was besloten. Het volgende wapenfeit was de EMU met zijn bank en munt. Ook daarover werd decennia lang gedelibereerd. Maar alleen door de desintegratie van de USSR kreeg Duitsland haar vereniging en Frankrijk, over enige schakels heen, de mark, die de EMU zou gaan heten. Diezelfde desintegratie van de Sovjet-Unie bepaalde tenslotte het besluit om de voormalige satellietstaten tot de EU toe te laten.

Aan zichzelf overgelaten zitten de staten van Europa nog steeds in het Europese dilemma verstrikt. Nationale zwakte dwingt tot samenwerking die door datzelfde nationalisme wordt gefrustreerd. Meer dan een halve eeuw roept de politieke elite 'voorwaarts', maar als hun eigen positie in het geding komt doen ze niets. Die elite was bereid om een markt te vormen, zij het onder druk van buitenaf. Marktvorming is betrekkelijk gemakkelijk. Het is een vorm van negatieve coöperatie, omdat staten onderling economische barrières van in- en uitvoerrechten slechten. Maar als ze positief moeten samen werken, rijzen de problemen. In dat geval moeten ze samen iets doen en dat bedreigt direct wat de staten meer dan alles lief is: hun nationale autonomie. Dus heerst in belangrijke zaken het vetorecht dat die autonomie beschermt, maar tegelijkertijd besluitkracht onderuithaalt en het democratische toezicht verlamt. Als oude stamhoofden zitten de regeringsleiders bij elkaar, glimlachen, maar slijpen ondertussen de messen bij hun geheim conclaaf.

Dat is niet nieuw. Staten zijn van oudsher uiteindelijk op zichzelf aan gewezen. Hun orde wordt gedicteerd door de onderlinge rivaliteit, gewelddadig of niet, en voor zover ze samenwerken is ook deze coöperatie deel van hun concurrentie. Aan deze statenbarbarij komt pas een eind als de ene staat de andere overwint en tot onderlinge samenwerking dwingt, of als een extern of gemeenschappelijk gevaar zo groot is dat ze de verdeeldheid smoort. Wie derhalve de integratie wil versnellen, moet op zoek naar de als gemeenschappelijk ervaren dreiging die tot nieuwe daden dwingt. Waar is die dreiging nu? Europa is een markt en verder niet zeuren. Duitsland wil daarentegen bij monde van sociaal-democraten en verwante politici een Europese federatie naar het model van de eigen Duitse Bondsrepubliek, en Frankrijk een federatie van natie-staten, maar wat dat is kan niemand duidelijk maken. Kortom, verdeeldheid troef. Kennelijk vormt die uitbreiding van de EU vooralsnog geen voldoende dreiging. En Nederland? Kok en de zijnen houden de kiezen op elkaar. Het heeft geen zin om de koers te bepalen zolang de verschillende kapiteins van de Europese vloot ieder een andere kant uit willen, zegt ook Hans van Mierlo. Hij is de vertegenwoordiger van de Nederlandse regering in de Europese Conventie die moet zeggen hoe het verder met Europa moet. Van Mierlo is persoonlijk een voorstander van een Europese federatie, liet hij onlangs weten, maar dat is kennelijk niet genoeg. Dat wekt verbazing, omdat de verkiezingsprogramma's van de meeste politieke partijen in Nederland pleitten voor een ontwikkeling die onmiskenbaar in federale richting gaat. Dus waarom is deze 'vernieuwer' zo terughoudend. Kom op van Mierlo, grijp je kans. Overtuig Frankrijk dat het in een groot Europa een 'quantité negligable' wordt, tenzij dat Europa federaal is en dit land een nieuwe mondiale toekomst biedt. Begin dan aan een federale kern in het hart van Europa met Frankrijk, Duitsland, de Benelux, Spanje en Portugal. De andere zullen volgen.

Paul Kapteyn Vice-voorzitter Vereniging Democratisch Europa

De VDE organiseert het Europese publieke debat en publiceert de periodiek 'Euforum'. Inl. Felix Meritis, tel.020 626 23 21

terug naar de index