|
COLUMN Vrouwen en Europa Van de 375 miljoen inwoners van de Europese landen is meer dan de helft vrouw. Ook al zijn de verschillen tussen de landen groot, vrouwen hebben in elk geval een ding gemeen: ze worden geconfronteerd met dezelfde soorten discriminatie. Om te beginnen is het aantal vrouwen op beslissende posities veel minder dan het aantal mannen. Dat geldt zowel voor de nationale volksvertegenwoordigingen en regeringen als het Europees Parlement en de Commissie. Maar vrouwen zijn ook slechter vertegenwoordigd in besturen en adviesraden. En dat is niet omdat ze zelf niet willen, maar omdat mannen het blijkbaar nog heel moeilijk vinden om de macht af te staan aan vrouwen. Kijk bijvoorbeeld maar wat er gebeurde tijdens de opvolgingskwestie in PvdA en VVD. Alhoewel er bij beide partijen een vrouw op de tweede plaats op de kandidatenlijsten stond, werden onmiddellijk de namen van enkele heren genoemd. Op de tweede plaats van de kandidatenlijsten stonden echter Annemarie Jorritsma en Jeltje van Nieuwenhoven,. Die hebben toch echt wel bewezen dat ze in staat zullen zijn een fractie te leiden. En van Nieuwenhoven is het dan ook uiteindelijk geworden. Maar terug naar de positie van vrouwen in Europa. Slechts veertig procent van alle banen worden vervuld door vrouwen. Er zijn meer vrouwen dan mannen werkloos en veel meer vrouwen dan mannen werken in deeltijd, wat bepalend is voor hun inkomenspositie. En vrouwen in Europa verdienen veel minder dan mannen, ook als ze hetzelfde werk doen. Daarbij verkeren ze vaker in armoede, vaak in situaties waarin zij als alleenstaande ouder voor kinderen zorgen. Ondanks allerlei Europese richtlijnen en actieplannen is er nog steeds sprake van een grote achterstand op alle terreinen. We denken misschien dat het in Nederland allemaal veel beter is dan bijvoorbeeld in Zuid Europa, maar dat is echt niet zo. Ook hier hebben vrouwen met allerlei vormen van discriminatie te maken en worden zij veel te weinig betrokken bij de besluitvorming. Kijkend naar de nationale actieplannen die iedere lidstaat dient te maken, dus ook Nederland, valt steeds weer op dat ook daarin nauwelijks specifiek aandacht aan de positie van vrouwen wordt besteed. Of het nu gaat om pensioenen, werkgelegenheid of armoedebestrijding, steeds blijft de positie van vrouwen in deze actieplannen onderbelicht of krijgt een vage vermelding bij een hoofdstukje 'kwetsbare groepen'. Te vaak gebeurt het nog dat ambtenaren er door de vrouwenbeweging van overtuigd moeten worden dat er echt verschillen zijn in de positie van vrouwen en mannen en vergeten ze de genderbenadering te hanteren. Laat staan dat er specifieke oplossingen worden opgenomen om de positie van vrouwen met voortvarendheid te verbeteren. Of er worden besluiten genomen die de vrouwenzaak niet ten goede komen, zoals de bepaling van het Europese Hof dat de Algemene Weduwen en Wezenwet ook voor mannen van toepassing moest zijn. Met als direct gevolg dat het inkomen van grote groepen weduwen met honderden guldens verminderde omdat de Nederlandse overheid onterecht bang was voor te grote uitgaven. En wat te denken van de recente uitspraak van het Europese Hof naar aanleiding van een protest van een mannelijke werknemer bij de overheid, dat het juist is dat vrouwen voorrang krijgen bij het beschikbaar stellen van gesubsidieerde kinderopvangplaatsen. Dat is het paard achter de wagen spannen en de zorg voor kinderen weer als verantwoordelijkheid van vrouwen benaderen. Binnen de vrouwenbeweging en de vakbeweging zijn heel goede en werkbare ideeën ontwikkeld waar beleidsmakers en beslissers profijt van kunnen hebben, zowel op nationaal als Europees niveau. Het is onbegrijpelijk dat daar door de Nederlandse overheid zo weinig gebruik van wordt gemaakt.
|