Uitverkoop van Europa door de uitruil van belangen

Vlak na elkaar stelde de Europese Commissie twee overgangsregelingen bij de uitbreiding van de EU voor: burgers uit de nieuwe lidstaten zullen zich niet meteen in de andere landen kunnen vestigen, en omgekeerd kunnen buitenlanders voorlopig geen land kopen in Oost-Europa. Formeel is er geen verband tussen de twee voorstellen, maar het komt iedereen wel erg goed uit. Het gaat in beide gevallen om onderwerpen die de nationale gemoederen -en de gemoederen van nationalisten- flink op weten te winden, die opgelost moeten worden om publieke steun voor de uitbreiding te verzekeren.

Jules Maaten, Europarlementariër voor de VVD, typeert de twee voorgestelde overgangsregelingen als een uitruil van belangen. 'Voor wat hoort wat. De Duitsers zijn bang voor hun arbeidsmarkt, de Polen zijn bang voor landaankopen door Duitsers. Beide landen willen iets doen om de angsten in de eigen publieke opinie onder controle te houden.' Ook Ben Hoetjes, onderzoeker voor het instituut Clingendael, ziet de voorgestelde overgangsregeling als een maatregel om de inwoners van zowel de Europese lidstaten, als de potentiële lidstaten gerust te stellen. 'De nationale belangen van de verschillende lidstaten wegen uiteindelijk het zwaarst, het Europees beleid moet immers ook in de binnenlandse politiek verantwoord worden. Overgangsregelingen verzachten, in ieder geval voor een bepaalde tijd, binnenlandse onvrede met bepaalde aspecten van het Europees beleid.' Michiel van Hulten, Europarlementariër voor de PvdA ziet nog een voordeel. 'Het is niet slecht als nationale belangen worden behartigd, omdat dit vaak leidt tot een goed Europees compromis. Hard onderhandelen staat dan ook niet haaks op de uitbreiding.'

Jules Maaten ziet in dit specifieke geval wel degelijk een probleem: 'Dit compromis gaat alle Europese landen aan. Zowel het vrij verkeer van personen, als het recht van aan- en verkoop, zijn fundamenten van de interne markt. En juist deze interne markt is de kern van de Europese samenwerking. Het "voor wat hoort wat" mechanisme is heel slecht, omdat het leidt tot een wildgroei aan compromissen. Het Europees Parlement is niet blij met deze overgangsregelingen en zij is wel diegene die uiteindelijk de uitbreiding moet ratificeren.' Michiel van Hulten denkt juist dat overgangstermijnen bevorderlijk kunnen zijn voor de toekomstige uitbreiding. 'Ze zijn op sommige vlakken noodzakelijk. Als de kandidaat-lidstaten aan alle regels moeten voldoen op het moment dat ze toetreden kunnen we de uitbreiding nog minstens tien jaar uitstellen.' Hij maant wel tot voorzichtigheid. 'In principe moeten we wel proberen overgangsregelingen zoveel mogelijk tot een minimum beperkt te houden. De Europese regeringsleiders moeten hiervoor waken.'?

terug naar de index