|
column
De Europese Raad van Göteborg en de Prodiaanse verspreking of: De recente topontmoeting van de Europese regeringsleiders en het Franse staatshoofd in het Zweedse Göteborg op 15 en 16 juni j.l. zal niet de boeken ingaan als een historische gebeurtenis. Daarvoor waren de resultaten veel te mager. Of het zou moeten zijn vanwege de uitbarsting van geweld rondom de EU-top. Deze werd breed uitgemeten in de Europese pers en stond ook centraal in de commentaren van de meeste regeringsleiders na afloop van de top. Deze eenzijdige benadrukking van het optreden van enkele honderden radicalen dreigt - al dan niet bewust - een andere realiteit te overschaduwen: dat meer dan 20.000 vreedzame demonstranten uit diverse landen naar Zweden waren gekomen om te protesteren tegen het feit dat in Europa het marktdenken centraal staat in overwegend ondoorzichtige en ondemocratische besluitvormingsrituelen. Dat de kloof tussen de Europese burgers en het rondtrekkende circus van politici en ambtenaren een ongekende omvang heeft aangenomen. De reactie van diezelfde politici spreekt boekdelen. Men heeft een werkgroep opgericht die moet onderzoeken hoe de ordehandhaving bij toekomstige topontmoetingen beter kan worden geregeld. De premier van het land dat in de tweede helft van dit jaar voorzitter is van de EU, de Belg Verhofstadt, heeft al een voorschot genomen op de aanbevelingen van deze werkgroep. "We zullen zeer streng zijn", zo stelde hij met bravoure. Gedacht wordt zelfs om eventuele demonstranten de toegang tot België te weigeren. De Europese gedachte in optima forma. Dat men het in Europa niet zo nauw neemt met de stem van de burgers werd in de week na de EU-top nog een keer bevestigd door een opmerkelijke politieke uitglijder van Romano Prodi, de voorzitter van de Europese Commissie. In een interview met de Irish Times stelde hij dat de uitbreiding van de EU doorgang zal vinden, ondanks de negatieve uitslag van het referendum in Ierland eerder deze maand. Zoals bekend, stemde een kleine meerderheid van het Ierse volk tegen het Verdrag van Nice, het verdrag dat de uitbreiding van de EU op institutioneel terrein regelt. Nu heeft Prodi formeel gelijk; juridisch gezien kan die uitbreiding ook zonder een Ierse ratificatie van het Verdrag van Nice plaatsvinden. Maar politiek gezien is dit natuurlijk ondenkbaar. We hebben nu eenmaal afgesproken dat elke wijziging van het oorspronkelijke oprichtingsverdrag van de EU moet worden geratificeerd door alle lidstaten. En in Ierland wordt daarbij de mening van de bevolking gevraagd via een referendum. En tot slot heeft de Europese Raad in een eerder stadium verklaard dat het Verdrag van Nice noodzakelijk is voor de uitbreiding van de EU. Kort en goed, de goedkeuring van dit verdrag door Ierland is een politieke voorwaarde voor uitbreiding. Niet meer en niet minder. Er zal dus een tweede referendum moeten plaatsvinden om de Ierse burgers alsnog over de streep te trekken. Bovengenoemde voorbeelden overstijgen het anekdotische. Zij vormen een illustratie van een meer algemeen patroon. Vormen van directe democratie vallen duidelijk niet in goede aarde bij de Europese elites. Zij geven er de voorkeur aan belangrijke besluiten achter gesloten deuren te nemen. Al te veel bemoeienis van de Europese burgers is daarbij alleen maar lastig. Dit was al zo met de besluitvorming rond de invoering van de euro en is met de aanstaande uitbreiding niet veel anders. Maar een dergelijke interpretatie van het 'Europa van de burgers' is niet zonder risico's. De arrogantie van de macht kent zijn grenzen. Een groeiende onvrede met de wijze waarop in Europa wordt omgesprongen met de belangen van de burgers zou op den duur het gehele bouwwerk van de EU in gevaar kunnen brengen. Het is de vraag of deze generatie besluitvormers voldoende visie bezit om te voorkomen dat de wal van de maatschappelijke onvrede het schip van het marktgerichte integratieproces keert.
Otto Holman
|